Vergeef het mij, maar k durf u niet genaken,
daar mijn gelaat nog glimt van wind en duin,
en gij reeds eeuwenlang uw kruin
het hoge hemelgewelf aan laat raken.Ik groet met diep ontzag uw steile wanden:
met krommen rug en een verruigde baard
waarlangs het zweetvocht naar beneden vaart,
met slappe benen en met tintelhanden.
De fietsers staken af en toe het trappen
om op te zien in onderdanigheid
en luid te klagen dat ge n loeder zijt,
wanneer zij rusten om naar lucht te happen.
Die arme stakkers zouden u neerhalen;
pas op uw tellen dus en knak maar raak.
Vertrouw ook niet de prof, die sterken snaak,
Die op uw flank maar met zijn kracht wil pralen.
Het is des Heren wil, of t zou niet wezen.
Maar man en fiets vergaan tot as en schroot.
Wees dus maar stil; gij zijt toch immer groot:
Als gij op hen neerkijkt dan kunt gij t lezen. |