Ik liep, de vuisten diep in mijn kapotte zakken;
Mijn overjas werd ook een ideëel geval;
Ik liep onder de hemel, Muze, jouw vazal;
O jee, hoe hadden de liefdesdromen mij te pakken!Er zat een groot gat in mijn enige
kniebroek.
- Ik kruimelde mijn pad, Klein Duimpje in mijn dromen,
Vol rijmpjes. Grote Beer bood mij een onderkomen.
- De hemelsterren zoemden zoet bij mijn bezoek
Ik zat ernaar te luisteren aan de rand der wegen
Op die avonden in september toen een regen
Van dauw mijn hoofd bedrupte als een wijn vol gloed,
En rijmend in de wonderlijke schaduwplekken,
Liet ik als liersnaren de elastieken rekken
Van mijn gekneusde schoenen, dicht aan t hart een voet! |