Homepage

gedichten
Naar de homepage 
Stuur een reactie 
gedichten
Thomas Zijlma: gastdichter
Zuidfranse Dageraad Het volgende jaar / Gevoel
Mont Ventoux / Mijn Bohème De Fuji der fietsers
De Grande Dame Voorjaar Passo di Palade
Passo di Stelvio Het opperhoofd der … Il Innocente
Directeurtje De streep Lévi-Vleau op de Col d'Allos
Printversie van dit artikel 
Stuur dit artikel door per e-mail 

De streep

Voor het eerst verschenen in Les Nouvelles des Alpes, 1989 nummer 6
Ach lieden die, na 't horen der heroïeke verhalen,
in gestrekte draf naar de kamer van Lévi snelden
om u daar voor de volgende koers aan te melden
omdat u uit de grond van uw hart liep te balen
dat u niet bij deze Alpenkoers reeds was,
't was beter dat u eerst even 't volgende las.

Het gaat over de Alpe d'Huez, de finale,
de laatste berg in 't program van Lévitan,
te beklimmen vanuit het stadje Bourg d'Oissans,
van onder nog bebost, maar bovenop een kale.
In Bourg zitten we ons psychisch voor te bereiden
boven het portie spaghetti, de hap deze tijden.

Een timide serveerster vraagt: "Voulez-vous wijn?"
maar wordt reeds vakkundig de grond in geboord:
"Qu'est-ce que c'est wijn ? Ah vin, non!" is al wat ze hoort
van de botterik, ach 't zal De Kwaks weer niet zijn!
"Koersen !!!", roept Lévi, maar z'n koers blijft nog beperkt
tot die naar de plee, waar hij z'n kakje wegwerkt.

Alpe d'Huez, een brug over en links door een bocht
en dan een loodrechte wand en slingerende weg
als zigzaggende streep er tegenaan gelegd,
daarlangs moet je omhoog in een bittere tocht.
In 't begin gelijk het steilst en na lang pas het bord
met daarop "21", ik kom spierkracht tekort.

Elk bord wordt een mijlpaal, twintig zullen nog komen:
twintig haarspelden om naar uit te zien.
Vooral die linksom, de buitenbochten, want die
geven me rust: er wordt water en dextro ingenomen.
Alpe d'Huez, zoveel stinkende auto's kruipen er voort
dat de renner herhaaldelijk de kant in wordt geboord.

Dus ik bijt me vast in de streep, geheel rechts aan de kant
van de weg waar geen ruimte meer is voor slingers.
Ik kijk naar mijn stuur, naar mijn handen, mijn vingers
en vraag me dan af: "houd ik dit in de hand?".
Zo gespannen te koersen langs een streep, da's geen pretje
en zo zwaar ook, mijn benen vragen een lichter verzetje.

En als ik weer opkijk: Le Japonais een eind voor,
vanaf 't eerste begin maakt hij gelijk flinke vaart,
anders komt ie niet rond, zijn verzet is te zwaar
voor dit stuk, ik laat 'm gaan en hij beukt maar door.
En dan, voor bord 18 gaat hij plots van zijn fiets,
zo koersen langs een streep, dat verkeer, vindt ie niets.

Ik weifel en kijk nog een keer naar hem om,
't is klote: die streep, die wand, hij heeft gelijk.
"Zal ik keren ?", denk ik, maar intussen rij 'k
gewoon door, en o wonder, na bocht 17 komt
er een stuk minder steil. Het lijf minder gespannen
kijk ik om me heen: waar zijn de andere mannen?

Lévitan en de Vlo zijn wat later vertrokken,
maar ik zie ze nog steeds niet en dat valt me mee,
want op zo'n steil stuk als daarnet lopen die twee
minuten op je in, rijden je zo van de sokken.
Dus strek ik mijn lijf wat en eet een banaan
en dan toch, na wat bochten, komen ze eraan.

Voorop een wit dopje dat als het me nadert
de helm blijkt te zijn van Monsieur Lévitan,
die gelooft dat dat piepschuimen hoofddeksel hem van
elk onheil behoeden zal. Terwijl ik kijk radert
hij met gemak over me heen en vergeet ik te vragen
hoeveel de achterstand van Gerrit en Kwaks zou bedragen.

Ik fiets nu een stuk tussen de twee snelsten in,
voor me Lévi, die zo te zien moeiteloos voortgaat
en achter me Vlo, die me bij 't dorp Huez inhaalt
en me vraagt: "Waar is Lévi ?" en even heb ik zin
om voor 'm uit te trekken en als koppel uitgeverij
Lévitan terug te pakken, maar in mijn benen zit brei.

Vlo moet het zelf doen, ik kan 'm geen hulp verlenen.
Later hoor ik dat Lévi al dicht voor het eind
Vlo triomfantelijk toegeschreeuwd heeft: "Vlo 't zijn
niet de versnellingen, het zit 'm in de benen"!
Ze rijden uit zicht en ik ben weer alleen
met mijn streep en mijn benen in een landschap vol steen.

Na het dorpje Huez resten me nog zes bochten
in een landschap dat steeds kaler geworden is.
Daarboven het lelijke skidorp, de finish
en onder me dat wat mijn ogen lang zochten:
die vreemde fietshouding, zo typisch rechtop: De Kwaks
op veilige afstand, ik weet dat ik derde ben straks.

Ik raak overmoedig, wat kan die streep me nog schelen?
In het dorp kijkt een man die vraagt of 't niet te zwaar is
en ik antwoord "nee", wat op dat moment waar is.
Ik zoek naar de eindstreep, maar straten zijn er vele
en verdwaal hopeloos, rijd helemaal het dorp uit
en vind de eindstreep pas als Kwaks daar al rondfluit.

Maar bovenop zo'n berg is 't één en al verbroedering.
We bezetten een terras en zetten 't op een zuipen
en voelen al die alcohol rechtstreeks de benen in kruipen.
Zo in de avondzon zijn d' Alpen mooi en we hebben goede zin.
En Gerrit ? Hij deed 't op zijn manier; we waren al haast bezopen
toen hij daar op zijn dooie gemak het terras op kwam lopen.

Dus lieden, weet na 't lezen van alweer zo'n Alpverhaal:
zo'n koers, dat is in wezen een waanzin, gekheid, zotternij.
Wie is zo idioot dat hij/zij een Alp oprijdt
alleen maar voor de kick ? om onderweg te sterven, wel tien maal?
Maar weet ook: als u onbedwingbaar sidderen gaat en voorts
u 't koude zweet uitbreekt: u hebt de gevreesde Alpenkoorts!

Il Pantaloni
Naar het begin van het artikel Uw privacy en die van ons