
|
|
|
Voorjaar
|
Verweekt en wankel, met toegekepen ogen,
onzeker schuifelend en vaak tastend in het niets,
lelijk en onbeholpen, het hoofd ietwat gebogen,
pak ik ieder jaar de fiets.
De damp die van het asfalt slaat
maakt me geruster: zoete stoom...
En bij het wegvlieden van de straat
bevangt mij meer en meer een oud vertrouwde droom.
Ik laat mij in het zeemleer glijden,
stoempend kloppen pompen in mijn borst,
ik zucht, als bij het lessen van mijn eerste dorst
en om mijn mond gloort langzaam een groot verblijden.
Mijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
mijn dunne voeten kunnen goesting niet verbloemen,
mijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
komen als berkenstammen uit het zeem opdoemen.
Ik ben op dit zadel nog als ongeboren
ik weet slechts één ding: knoerten, trappen
ik ben de wijsheid van het lichaam niet verloren
en zal de buitenstaander nimmer snappen.
En als elk jaar ik 'm aan de kant moeten zetten,
en het sein "einde seizoen" weer is gegeven
ontdoe ik mij van mijn harde, snotlederen epauletten
en huiver ik, en huil heel even.
En ieder jaar word ik opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het wielerleven,
en elk jaar is mij het lot beschoren
opnieuw een "renner onder Lévitan" te zijn gebleven.
Il Calmo, 13 april 1996.
|
|
|
|
|