
|
|
|
Het geheim van de Izoard
(Voor het eerst verschenen in Les Nouvelles des Alpes, 1989 nummer 6) |
Na drie rondjes rond de kerk in de kokend hete Kadett vinden we
eindelijk de Camping Municipal. Altijd nog een goed half uur voor de Vlo en Panta, die
eerst alle andere wijken van Briançon aandoen met een bus vol onrustige renwielen.
Weggestopt achter een halfbakken dorpskermis en een minuscuul stadspark, slaan we onze
tenten op. Tegen vijven begint het inmiddels bekende gerommel met de fietsen; de Kwaks
kiest het shirt van de dag, Mr. Conscience rekt zich nog eens goed uit, Pantaloni rolt de
pijpjes van zijn fietsbroek omlaag en De Vlo en Lévitan kijken elkaar nog eens zo diep in
de ogen, dat hun schedeltjes ervan kraken.
Ik had het meteen al gevoeld toen we Briançon binnenreden: De Izoard ken ik, die heb ik
al in m'n Boekje! Ik tast diep in mijn reistas naar het geheime wapen. Hard en koel rolt
het met zijn vertrouwde rondingen in mijn handpalm. We hebben contact, dit wordt onze dag!
Donkere wolken doen een halfslachtige poging ons er nog vanaf te houden. Even verschijnt
een in mist en bliksemschichten gehulde bergtop op mijn netvlies. "Als het echt vuil
wordt gaan we terug!" stel ik Gerrit voor. Die gromt instemmend.
En weg ben ik. In de derde bocht pedalleert Panta licht over me heen op zijn 38. Ik laat
een gaatje vallen van een paar honderd meter. De Kwaks blijft aan mijn wiel,
waarschijnlijk verteerd door dezelfde twijfel van de eerste kilometers: Laat ik in
Godsnaam niet forceren, ik moet nog zo'n end. Rij je eigen tempo! Maar hoe hard is dat
dan?!
Na drie kilometer zal een korte afdaling komen. Daar is ie al: eerst nog een stukje vals
plat en dan suizend omlaag. Pantaloni ligt al weer met Perico-allures plat op zijn stuur
met zijn kont omhoog. Voor we de rivier oversteken moet ik hem terugpakken. Ik schakel op
het grote mes en zet aan. De Kwaks staat stil. Terwijl Pantaloni de wetten der
zwaartekracht het werk laat doen, tast ik diep in de koolhydraten à la Bolognese die ons
twaalfuurtje hadden gevormd. Kort voor de brug gaat het al weer vals plat omhoog, ik zet
nog even door.
Geruisloos kruip ik
in zijn wiel. Terug naar het kleine voorblad. Schitterend klinkt de droge SIS-klik van
mijn voorderailleur. Ongelovig kijkt Pantaloni om. Le Japonais is teruggekomen. We sluiten
een stil pact, net als op de eerste 2000 meter van de Bonette. We zwoegen samen het bos
in. Hier wordt de klim 9 à 10%. Zorgvuldig draaien we van buitenbocht naar buitenbocht.
We delen onze pijn en druivesuikers. Drie kilometer onder de top tast ik diep in de
stuurtas. Het is tijd voor het geheim van Le Japonais. Koel, hard, rond en roodglimmend
ligt ie in mijn hand: mijn klimappeltje.
Vijftienhonderd kilometer in de auto en nog net
zo gaaf als toen ik hem kocht. Fris en versterkend zijn de kleine hapjes tussen het
verhitte hijgen. Daar gloort al het Réfuge Napoléon, kijk de bochten met het omgehakte
bos. Oh Izoard, ik herken je weer! Langs het hotel, anderhalve kilometer onder de top.
Daar komt Lévitan over ons heen. Nog een kilometer, daar is De Vlo ook. De Vlo lijdt, hij
geselt zijn fiets. We laten De Vlo gaan, uit respect voor zoveel geteisterd ego. En dan
slaat het toe, mijn appeltje. Vijfhonderd meter onder de top. Mijn blik zuigt zich vast in
het zwiepende achterwiel van De Vlo zo'n honderd meter voor me. Panta kreunt vertwijfeld.
Klik, niks 28, we gaan nog even 25! Ik vlieg omhoog. Te laat om De Vlo nog te achterhalen.
Ik zie hem kort voor me in de armen van een alweer gegroeide Lévitan vallen. Ik sprint
over de top van de Izoard, mijn Izoard. Ik koester het appeltje in mij. Ik ben als derde
boven. Ik lach.
Le Japonais. |
|
|
|
|