Homepage

verhalen
Naar de homepage 
Stuur een reactie 
verhalen
Vechten om laatste te worden Winterkoers 1996
IJsselmeerronde 1994 Marmotta Marmotta Logistieke man
Tilff-Bastogne-Tilff 1992 Maastricht 1990 De Droom
Het geheim van de Izoard Mont Ventoux: een loeder
Het hol van de Vlo De Vlo wipt over de Ardenner côtes
Printversie van dit artikel 
Stuur dit artikel door per e-mail 

Vechten om laatste te worden

"De Vlo, ten slotte, kwam nog eens een half uur later over de eindstreep, zich meteen met enkele krachttermen vervoegend bij het inmiddels van soep en cola genietende peloton."

Deze heldere volzin staat in het dagverslag dat door de Snok is geschreven op 14 juli 99 over de tocht van die dag. Het verhaal achter die krachttermen wil ik even uit de doeken doen.
Vlo (met functionerend horloge) bij de start van de etappe. Vechten om laatste te worden
Soms wil het zo lekker vlotten. Als je goed je voorwiel op zo’n klim weet te zetten en spanning op je ketting kan houden zonder dat je er een spat minder van wordt. Je gevoel voor krachtsverhoudingen begint dan te schuiven totdat je denkt dat je nooit meer stuk kan en daar wordt je hoofd licht van. Bij elke bocht zie je de renners onder je die je niet meer kunnen inhalen. Er is nog ruimte voor wat ambitie in de richting van een gekromd ruggetje voor je. En eenmaal boven blijkt dat de berg je een enorm end uit het dal heeft getild en dan kijk je samen met de anderen even over zijn schouder mee hoe de wereld er uitziet als je heel groot bent. Zo’n feest was het de dag ervoor nog geweest op de Bonette.
Maar dan het rondje Allos-Des Champs-Cayolle. Eerst een goede Allos met aan het einde toch wat tijdverlies door een zere rug. Dan in de afdaling de eerste voortekenen dat de grote zwarte schaduw in aantocht is en die wat onhandig proberen om de tuin te leiden met wat boterhammetjes. Tussen het sturen en remmen door, zodat dat de veiligheid niet in het geding komt. En met wat rekken en strekken en wiebelkonten á la merengue zorgen dat de rug weer soepel en sterk wordt. Pantaloni, die sneller daalt, komt handig voorbij door een rechtse bocht waar ik, vrijwel stilstaand, moeizaam tussen links (verboden in te rijden) en rechts aan het kiezen ben. De gedachte aan verkeerdrijden doet me eventjes huiveren en opgelucht daal ik verder. Bijna beneden weer een glimp van Pantaloni. Naast een bordje "col des Champs 12", dat rechtdoor wijst, staat hij zijn daaljasje uit te doen en wenst me succes. "Jij ook, Kees!"

Slim om dat nog voor het einde van de afdaling alvast te doen, denk ik nog. Dan kun je nog even warmrijden voordat je weer aan de bak moet. Nu wel scherp blijven uitzien naar de afslag, want anders rijden we alsnog verkeerd. Sommige staan maar aan één kant aangegeven, dus na elke weg naar links kijk ik ook even om. Mij foppen ze niet. Maar nieuwe borden met het juiste opschrift blijven uit. Twee bochten na het einde van Colmars is het definitief stil geworden. De weg laat duidelijk zien dat het helemaal klaar is met de zijwegen naar links. En de kopie van de Michelinkaart op mijn stuurtas is op geen enkele manier meer uit te leggen in de richting van wat ik om me heen zie. Ter plaatse verander ik van zelfverzekerd op de goede weg in hopeloos verdwaald en allemachtig wat een stakker.

Ik ga terug en krijg alle plekken waar ik nooit had mogen zijn opnieuw te zien. Inderdaad geen borden des Champs. Wel weer die anonieme afslag met stijgende weg erachter en een groot spandoek met DEPART. Een voorbijganger antwoordt bevestigend op mijn vraag of dit toch de des Champs is en ik vlieg naar boven. Driehonder meter verder loop ik vast op een goed omheinde parkeerplaats. Die mondt uit in een geitepaadje waar verbaasde wandelaars hun kinderen op de arm nemen als ze de blik in mijn ogen zien. Ze gaan naar de Cascades of zoiets. Het verder uitkammen van Colmars brengt me onontkoombaar terug naar de plek waar ik dik twintig minuten eerder Kees heb zien staan. De stijgende wanhoop die me eerst nog sterk had gemaakt en vastbesloten om er nog een paar in te halen, was intussen al te groot geworden en omgedonderd. Er is een dikke brij van overgebleven waar ik tot mijn assen in vastzit.

Ongelovig sta ik omhoog te kijken naar een steil paadje, half verscholen achter een hek dat openstaat. Privéterrein lijkt me. Maar ik heb de keus tussen de Allos, opnieuw Colmars of dit, en ik ga omhoog. Dat doet zeer. De benen zijn weg en de achterstand op de anderen bereken ik als niet meer in te halen. In plaats van de verwachte grote zwarte hond zie ik een lijn op de weg met "12 km te gaan", welzeker toch des Champs. Het blijkt een steile klim te zijn. Daar een beetje op snelheid blijven vergt alle hens aan dek en volledige concentratie. Toch sluipen er gedachten binnen en die vertellen me de waarheid over de kansloze achterblijver die ik ben geworden. Al vrij snel blijkt dit voor iedereen luid en duidelijk te zien. Uit de bomen valt vogelkak, drie achterlijke motorrijders rammen me bijna van de weg af, een stomme automobilist dwingt me in de grintberm zodat mijn achterwiel slipt en ik bijna val.

Een familie aan een picnicktafel kijkt nauwelijks op of om als ik voorbijkruip. Die hebben een spannende wielerkoers zien langskomen en zitten nu gezellig na te praten aan een volle tafel. Het kleine zoontje gooit een steentje naar me en zijn vader, die dat gezien heeft, zegt er iets onbeduidends over. Hoe oorverdovend zou dat kleine mannetje op zijn donder hebben gehad als hij dat steentje had gegooid naar de wielrenners in de koers! Het is duidelijk dat er van mij niets respectabels meer over is. En daar heb ik nu mee te maken want in de natuur wordt zoiets opgemerkt. Een paar dagen later, tussen de oorverdovende krekelgeluiden van Vaison, zouden we het er nog over hebben. De krekels en de vogels en de mieren en al het andere kleine spul beschikken over hun eigen internet waarop continu wordt gecommuniceerd. Waarschijnlijk wordt er vooral gedeald en gebluft en gelogen en verlinkt in het nadeel van de zwakkere. En die zetten ze meteen op de site met makkelijke doelwitten zodra het kopje is gaan hangen.

Dan hoor ik zwaar insektengeronk achter me, dat me snel inhaalt. Ik kijk om en zie dat ze met z’n tweeen zijn. Ze vliegen naast elkaar van twee kanten aan waardoor ik er maar een tegelijk kan zien. Wat een beesten zeg, zo groot en zwaar. Zo te zien geen angel van achteren maar een boor van voren. Daar valt uit af te leiden dat ze waarschijnlijk op mijn bloed uit zijn. Dat blijkt te kloppen; ze vallen furieus aan en ik ben werkelijk geïntimideerd. Inderhaast ontwikkel ik een strategie van tegelijk terugvechten en vluchten. Trillend van de stress zit ik om me heen te slaan, en dankzij de sterk verhoogde adrenalinespiegel trap ik een stuk harder. Daarbij houd ik mijn hoofd omlaag, enigszins afgeschermd tussen mijn bovenarmen. Zo kan ik vanuit mijn ooghoeken de rechterberm in de buurt houden in verband met ander verkeer, en tegelijk zie ik mijn schaduw onder me. En ook dat is nodig want via mijn silhouet op de weg kan ik de charges van alle kanten zien aankomen.

Zo nu en dan weet ik die schoften te raken met mijn vlakke hand. Dan ben ik maar tijdelijk van ze af, want hun agressie kent geen grenzen en steevast komen ze na een poosje weer terug. Tussen de gevechten door denk ik vooruit naar de gesprekjes over deze col, straks aan de finish. De anderen hebben hier een wedstrijd gereden en van de plaatselijke fauna natuurlijk niks geen last gehad. Over de des Champs waarschijnlijk niks dan lof. Mooi, Ardennerachtig, enz. En wat zal ik dan zeggen? "Tamelijk lastig", lijkt me wel een passende bijdrage. Daar komt de volgende aanval. Ik probeer me voor te stellen hoe ik er uit zie. Diep voorover, armenzaaiend en schreeuwend op een slingerende fiets. Tenslotte vlakt de col af, en opgelucht stuif ik op het buitenblad mijn vrijheid tegemoet.

Zodra ik daarvan begin te genieten dringt het weer tot me door dat ik nog altijd achterblijver in een koers ben. Ik moet door want anders schop ik de boel in de war. Hoe lang staat Faustino al zijn tijd te verdoen? Staat ie er nog wel? Hij is er, en hij is niet eens boos. Dankzij Moto 1 kon hij langer blijven. Hij vult mijn bidon. Die zuip ik meteen leeg terwijl hij mijn rug masseert. Dan vult hij hem opnieuw, leent me 100 FF en vraagt dan ook nog of ik misschien iets nodig heb. Dan vertrekt hij, zonder zich merkbaar te haasten. Zoveel beschaving, dat voelt weldadig aan. Het montert me op en ik begin te dalen. Misschien kan ik nog gewoon laatste worden, ín de wedstrijd. Dan zal ik wel op de Cayolle moeten staan voordat Moto 1 me komt zoeken, stel ik als criterium. Rijden maar, want dat moet nog kunnen.

Maar het gezeik van de lege maag en de slappe benen is niet meer af te wenden. Mijn reflexen zijn slecht dus ik moet al meteen van de fiets om te eten omdat ik anders niet eens veilig beneden kom. Aan het begin van de Cayolle nog een keer. Mijn optimisme over het halen van de zelfbedachte tijdslimiet blijft toch nog lang overeind totdat ik merk dat mijn horloge me belazert. Hij staat al een paar kilometer stil op bijna half vijf. 3,5 km voor de top hoor ik het geluid van Moto 1. Ik kijk omhoog en zie hem komen. Ik ben definitief buiten de koers* en daar ben ik ziek van. Van mijn geleuter wordt de Braun niet veel wijzer en hij gaat gauw terug naar de renners. Twintig minuten later ben ik blij als ik over de top ben en het hele spul in de verte op een terras zie zitten. Een prachtig gezicht: in de volle zon met al die felgekleurde jasjes in twee rijen aan een grote tafel. Ik zwaai naar ze en ze zwaaien terug. Ik beloof mezelf dat ik niet zal mekkeren, straks als ik bij ze aanschuif, maar schrik wakker als ik merk dat het niet is gelukt…

Vlo, juli 1999.

*de koersdirectie blijkt ‘s avonds barmhartig en keert me de volle 8 x 33 punten uit.

Naar het begin van het artikel Uw privacy en die van ons