
|
|
|
Logistieke man
(Voor het eerst verteld door de Snok op 15 april 1994) |
Na een wat minder goed verlopen beklimming de dag
ervoor had ik me door de koersdirecteur - die zich "Direttore" liet noemen -
zonder al te veel tegensputteren laten overhalen voor een keertje de "Logistieke
man" te zijn. De bergtijdrit die op het programma stond trok me toch al niet echt.
"Een fluitje van een cent", zei de direttore. "even boodschappen doen, af
en toe een flesje en een banaantje uitreiken en het busje doet de rest".
Als eerste verlaat ik de camping, om vervolgens na een kilometer al in de file te
belanden. Het peloton raast mij voorbij. Ik zie me al op de top van Gavia arriveren met
een tros bruine bananen, terwijl het hele peloton daar inmiddels aan de soep zit. Gelukkig
wacht de koersleiding me bij de supermarkt op om de helpende hand te bieden.
Een half uurtje later passeer ik de eerste renner, inmiddels flink in het zweet. Mijn
vrolijke getoeter valt niet echt in goede aarde. Na een mooi ritje met diverse
hellingproefjes kom ik bij de afslag die ik volgens de kaart moet hebben. Niet gaan
twijfelen, denk ik, het gaat tenslotte omhoog hier. Na veertien haarspeldbochten - ze
worden wel erg krap hier - bedenk ik opeens dat ik ons motorescorte al lang gepasseerd zou
moeten zijn. |
 |
 |
|
Maar misschien heb ik mijn ogen gewoon heel goed op de weg gehouden.
Een bocht verder zie ik een mooi plekje langs de weg en met de gedachte "hier zou ik
zeker dorst hebben" besluit ik er te stoppen om de zwetende mannen van versnaperingen
te voorzien.
Het vreemde geluid bij het parkeren doet me niet meteen vermoeden dat er iets misgaat,
hoewel een kenner het plots opstuivende zand dat door het raampje naar binnenwaait, meteen
goed zou interpreteren: een lekke band. Iets scherps in het gras heeft de
rechterachterband doorboord.
Als fietser in hart en nieren heb ik vaak genoeg een band geplakt, maar met een auto -
laat staan van dit formaat - is het een geheel nieuwe ervaring voor mij. Na een
kwartiertje zoeken vind ik de krik. Na nog een kwartier heb ik de reserveband gevonden.
Plots herinner ik me waarom ik eigenlijk op die plek sta en besluit eerst de bananen en de
gevulde bidons op de apenweide uit te stallen. Even probeer ik me voor te stellen wat ik
naar mijn hoofd zou krijgen als ik het eenvoudige klusje van de ravitaillering zou
verprutsen.
Langzaam komt de auto omhoog. Onder het busje door kijkend heb ik goed zich op twee
haarspeldbochten. Nog geen gele, roze, of wat voor trui dan ook in zicht. Even overmant
mij de gedachte, dat ik misschien wel de enige ben die zich in het zweet staat te werken.
En sta ik nou eigenlijk wel op de goede helling? Het pittoreske getingel van koeienbellen
kalmeert me een beetje.
Een jochie, wiens familie verderop zich te picknicken, kijkt grijnzend toe en lijkt te
wachten op het moment dat het busje van de krik glijdt. Wat is eigenlijk "sodemieter
op" in het Italiaans? Ik kan er niet op komen. Na even te controleren of de handrem
er wel echt op staat, draai ik weer verder.
Meteen moet ik weer overeind. Een reusachtige alpenkoe heeft de eerste banaan al te pakken
en begint samen met nog een koe op de bidons te sabbelen. Mijn wilde gebaren maken weinig
indruk. Na de rest van de proviand in veiligheid te hebben gebracht ga ik maar weer verder
met krikken.
Na drie slagen zie ik vanonder de auto, tussen mijn eigen zweetdruppels door, een bekende
fietsen. Grote opluchting maakt zich van mij meester. Bijna wil ik hem met open armen
ontvangen, maar snel duik ik de auto in om een bidon te pakken en een banaan te pellen. De
isotone dorstlesser klettert een keertje op de grond - koeiespuug is glibberig - en de
banaan hou ik niet echt schoon. De onnozele fietser is inmiddels hijgend het busje voorbij
gefietst zonder mij op te merken; hij ziet me niet eens staan! Ik ren me nog verder in het
zweet, druk hem zijn natje en zijn droogje in de hand en sukkel naar het busje terug. Ik
zou zelf wel een flesje lusten, maar de volgende renner dient zich al aan. Nog een
glibberige bidon en een bruine banaan en weer aan het werk.
Zo wisselen mijn bandenklus en het fourageerwerk zich enkele malen af. Net als ik de
moeren los wil gaan draaien, vergrijpen oprukkende koeien zich aan de kruissleutel en het
bijbehorende plastic hoesje. "Zou het gras hier niet goed zijn?", vraag ik me
nog af.
De zon brandt op mijn hoofd en door dorst bevangen drink ik zelf maar eens een bidon leeg.
Even kom ik tot rust. Een in het geel gestoken renner dient zich echter al weer aan. Hij
heeft het zwaar. "Hoeveel zitten er nog vóór mij?", vraag hij verdwaasd, en
met een matte blik in de ogen. Daarover kan ik geen mededelingen doen, zeg ik oprecht,
want ik weet het zelf niet meer. Plotseling versnelt hij, en vergeet z'n banaan.
De koeien zijn inmiddels afgedropen, zodat ik het wiel los kan maken. Net heb ik het
reservewiel in mijn handen als ik merk dat het busje begint te bewegen. Het italiaanse
jochie, dat al die tijd enige afstand heeft bewaard, hangt nu aan de spiegel en danst op
de voorbumper. Ik roep "Basta, verdomme!" en overweeg hardere matregelen, maar
in een ooghoek zie ik zijn vader - waarschijnlijk taxichauffeur - zich uit zijn klapstoel
oprichten. Snel druk ik het ventje een koek in de hand en gebaar dat z'n pappie hem wil
speken.
Na weer twee fietsers te hebben geholpen, zet ik snel het wiel vast en draai de krik
terug. Het wonder is geschied, ik heb m'n eerste autoband verwisseld. Terwijl ik me begin
af te vragen of nou alle fietsers voorbij zijn gekomen, en hoe ik daar überhaupt achter
moet komen passeert minzaam wuivend de motorescorte, die ik dus gewoon voorbij gereden
was. |
|
Snel laad ik alle spullen weer in, rij slingerend naar boven, zet
de wagen voorzichtig op de parkeerplaats en wacht bij de eindstreep, nog net op tijd om de
eerste sterke verhalen aan te kunnen horen.
De Snok. |
 |
 |
|
|
|
|