
|
|
|
Mont Ventoux: een loeder
(Voor het eerst verschenen in Les Nouvelles des Alpes, 1989 nummer 6) |
Nauwelijks getraind. Sterker nog, tot voor twee weken had ik nog nooit
op een renfiets gezeten. En nu sta ik hier, aan de voet van de Mont Ventoux, 1909 meter de
lucht in. Ik was meegegaan uit balorigheid. Natuurlijk kan ik fietsen. Klimmen? Al
helemaal geen punt. Ik drink nog een blikje Isostar en vertrek. 's Ochtends was Aloys met
vrouw en kind ons komen halen. Er werden foto's gemaakt op de camping en ik trok mijn
Novib-shirt aan. Aloys rijdt nu in de auto met ons mee.
De eerste 6 kilometer zijn makkelijk. Een licht stijgingspercentage en het gaat goed. Maar
na het dorp je Les Bruns gaat de weg akelig steil omhoog. Ik voel me misselijk worden en
moet lossen. Stampend op de pedalen ga ik langs haarspeldbochten naar boven. Sommige
stukken zijn zo steil dat ik stil dreig te vallen. Het is nog ver. De top ligt op 21
kilometer, maar na 8 kilometer weet ik dat ik het niet zal halen.
Le Japonais staat in de berm en reikt me stimulerende suikers aan. Ik denk aan Theunisse
die in de Tour het jaar daarvoor ook is geflikt. Even verder zie ik Panta.
Eens liep ik in Utrecht een wedstrijd van 10 kilometer. Het parcours volgde gedeeltelijk
de Vecht.Omdat de zon scheen, zaten veel mensen voor hun woonboten met voor zich een
kratje pils. Ze riepen me toe: "Ach jochie, houd toch op met rennen. Met dit mooie
weer kun je beter een pilsje drinken." Ik ben niet gestopt, maar ze hadden gelijk.
Panta is afgestapt. Ook hij heeft gelijk. Ik besluit door te gaan. Ik ruk aan het stuur.
Mijn hersens beginnen te malen. Vergeten herinneringen komen weer boven drijven.
Ik zwem, niet wetend waar ik ben en hoever ik nog moet. De weg slingert met 9 tot 11% door
een bos omhoog. Er lijkt geen einde aan te komen. Ik word radeloos. Het doet pijn. Mijn
rechtervoet slaapt en mijn rug en billen doen zeer. Aloys komt langs en zegt dat het goed
gaat, maar ik denk: nog even, dan houd ik op. Ik wil afstappen en haal mijn voet al uit de
toeclip. Maar dan word ik een vals plat gewaar. Ik hijs mezelf naar boven. Even volgt er
verlichting, maar dan weer die muur. Bij het chalet, op 15 kilometer, gaat het beter. Maar
na het Chalet fiets ik door het grote niets. Het lijkt een luguber maanlandschap, een kale
vlakte, beroemd door flitsen uit de Tour. Hier gingen Coppi en later Zoetmelk en Hinault.
Nergens staan bomen, er is slechts steengruis. Gemiddeld stijgt het hier met 8% en er
staat een straffe tegenwind. De Ventoux is een sloerie, zal de Vlo later opmerken.
Op de weg staat nog 4 kilometer aangegeven naar de top, maar ik ben moe en wil weer
stoppen. In de verte komt een auto, iemand stapt uit en zwaait naar me. Het is die eikel
van een Lévitan. Hoe kan ik nu afstappen? Ik roep dat hij me alleen moet laten, anders
haal ik het niet. Maar ik denk slechts aan afstappen en wacht tot ze uit het zicht
verdwenen zijn.
Ik neem de zoveelste bocht en ontwaar de top. Nu ze zien me
weer, verdorie. De Vlo zegt dat ik nog 1½ kilometer moet. Hij
liegt om me aan te moedigen, denk ik. Het is vast nog verder.
Het laatste stuk gaat gemeen omhoog. Mijn ademhaling is zwaar en
ik ben kapot, maar besef ook dat ik het ga halen. Tranen wellen
in mijn ogen. Het echte harken is nu begonnen. Ze roepen.
Uitgeput arriveer ik en val van mijn fiets. Ik ben nog nooit zo
diep gegaan: 2 uur en 16 minuten. Met de Vlo loop ik even later terugnaar de laatste bocht.
Daar staat een monument ter nagedachtenis van Tom Simpson. |
|
 |
 |
In de Tour van 1967 had Simpson, volgepropt met verdovende middelen, een alles of niets poging ondernomen om in de
gele trui te komen. Hij was gevallen. "Put me on back my bike", had hij gezegd.
Door omstanders op zijn fiets geholpen, ging hij verder. De laatste bocht, nog een kort
maar ver schrikkelijk stuk. Ik voel zijn pijn, de uitputting. Hij viel weer en overleed.
Jan Janssen ging over hem heen en pakte de ritoverwinning. De dood of de gladiolen, voor
Simpson was het de dood. De Vlo is stil, ook ik kan niets zeggen. We hadden het beiden
ervaren: de Ventoux is een loeder.
Gerno |
|
|
|
|